
Het scheppingsverhaal opent zonder uitleg en zonder verdediging. Er wordt niets bewezen en niets afgedwongen. De tekst zet een werkelijkheid neer die zich ontvouwt in een eigen orde, waarin elk moment verschijnt wanneer het daar rijp voor is.
Het begin ligt in leegte en duisternis. Dat wordt niet gepresenteerd als iets wat hersteld moet worden, maar als een toestand waarin nog niets is onderscheiden. Alles is aanwezig, maar zonder vorm. Dat is geen gebrek. Het is openheid. In het leven kennen veel mensen zulke momenten. Er gebeurt van alles, maar het laat zich nog niet plaatsen. Je weet dat er iets beweegt, maar je kunt er nog geen woorden aan geven. Heb jij zulke periodes herkend, waarin het leven wel spreekt maar nog geen richting aangeeft?

Dan verschijnt het licht. Dat gebeurt niet als een ingreep, maar als herkenning. Iets wordt zichtbaar dat er al was. Er wordt niets opgelost en niets toegevoegd. Wat verandert, is de manier waarop wordt waargenomen. Dat kan zich uiten als een eenvoudig inzicht, bijvoorbeeld het besef dat je al lange tijd vanuit dezelfde gedachte naar een situatie keek. Zodra dat gezien wordt, verandert de verhouding tot wat je ervaart, ook al is de situatie zelf nog hetzelfde.
Vanuit dat zien ontstaat ruimte. Wat wordt waargenomen, hoeft niet langer samen te vallen met degene die waarneemt. Er ontstaat afstand die geen scheiding is, maar draagvlak. Ervaringen blijven bestaan en gedachten blijven bewegen, maar ze bepalen niet langer alles. Veel mensen herkennen dit als het moment waarop een gevoel er nog is, maar niet meer alles overneemt. Je merkt dat je iets kunt ervaren zonder erin te verdwijnen.
In die ruimte verschijnt vorm. Het vaste land komt tevoorschijn zonder strijd. Wat eerst diffuus was, krijgt contour. In het dagelijks leven kan dit zichtbaar worden wanneer keuzes eenvoudiger worden zonder dat alles helder is. Je hoeft niet alles te weten om te voelen wat blijft en wat vanzelf wegvalt. Misschien herken je dat sommige richtingen zich oplossen zonder conflict, terwijl andere zich juist steviger aandienen.
Daarna ontstaat ritme. Dag en nacht verschijnen als ordening, niet als macht. Licht overheerst niet, maar verheldert. Denken, voelen en waarnemen krijgen ieder hun plaats. Niet alles vraagt tegelijk aandacht. Dat kan voelbaar worden wanneer je merkt dat stemmingen of gedachten niet langer bepalen hoe je handelt, maar simpelweg deel zijn van wat zich aandient.

Vanuit die ordening komt beweging. Leven beweegt zich vrij binnen zijn bedding. Gedachten en handelingen volgen elkaar zonder weerstand. Wat verschijnt, wordt gedaan. Wat voorbijgaat, hoeft niet vastgehouden te worden. Veel mensen herkennen dit als momenten waarop dingen vanzelf lijken te lopen, niet omdat alles perfect is, maar omdat er geen innerlijke tegenwerking meer is.
Dan verschijnt de mens. Niet als iemand die iets moet bewijzen of bereiken, maar als aanwezigheid. Bewustzijn herkent zichzelf in wat het voortbrengt. Dat wordt zichtbaar in spreken, luisteren en handelen. Niet als iets wat is aangeleerd, maar als iets wat altijd al aanwezig was. Je merkt het vaak niet aan grote woorden, maar aan eenvoud in hoe iemand aanwezig is.
Het verhaal eindigt in rust. Die rust is geen stilstand, maar volledigheid. Er hoeft niets meer toegevoegd te worden. Er hoeft niets hersteld of afgerond te worden. Rust verschijnt wanneer het zoeken ophoudt, niet omdat alles verklaard is, maar omdat niets meer ontbreekt. Veel mensen herkennen dit als momenten waarin het leven even geen vraag stelt en toch klopt.

Plaats een reactie