Je kent dat moment aan het eind van de middag. De zon zakt, de schaduwen worden langer en ineens valt er een stilte over je heen die niet alleen maar rustig is. Er knaagt iets. Een onbestemd gevoel dat je ergens tekort bent geschoten, of dat je niet helemaal op de plek bent waar je zou moeten zijn.
Het is die reflex om even snel je telefoon te pakken, nog een mail te sturen of de radio harder te zetten. Alles om die zachte, vragende stem in de koelte van de dag maar niet te hoeven horen.
De neiging om ons te bedekken
Soms voelt het leven als een voortdurende poging om de boel bij elkaar te houden. We vlechten maskers van onze successen, onze rollen en onze goede bedoelingen, net zoals er in een oude tuin bladeren werden samengevlochten om een naaktheid te verbergen die er eigenlijk altijd al mocht zijn.
Het is een vermoeiende bezigheid, dat constante bedekken. We zijn bang dat als de buitenkant wegvalt, er niets substantieels overblijft. Of erger nog: dat wat overblijft niet goed genoeg is. Dus bouwen we muren van argumenten en verstoppen we ons tussen de bomen van onze eigen drukke gedachten, hopend dat we onzichtbaar blijven voor dat wat ons werkelijk kent.
Waar verberg jij je?
In Genesis 3:14-24 zien we een beweging die we dagelijks in onszelf herkennen. Nadat de verbinding met de bron even lijkt verbroken, volgt er een reeks consequenties die we vaak als straf lezen, maar die zich in feite aandienen als de wetmatige ervaring van een verdeeld bewustzijn. De grond voelt ineens stug aan, het werk wordt zwoegen en er ontstaat een besef van afscheiding.
Het beeld van de weg uit de tuin is niet zozeer een verbanning door een boze autoriteit, maar de logische weerslag van een innerlijke keuze. Wanneer we onszelf buiten de eenheid plaatsen, ervaren we de wereld als een plek van doorns en distels. We staan dan niet meer in de vrije stroom, maar proberen met moeite en zweet ons eigen koninkrijkje overeind te houden.
Het zwoegen tegen de stroom in
Het dagelijks leven laat ons precies zien waar we ons bevinden. Wanneer alles aanvoelt als een gevecht tegen de bierkaai, wanneer elke taak een zware last is en elk contact wrijving oproept, bewegen we ons door dat dorre landschap van het ‘ik-bewustzijn’. We proberen de aarde te dwingen vrucht te dragen, terwijl we vergeten dat de groei niet van ons afhangt.
We identificeren ons zo sterk met de moeite die we doen, dat we onze identiteit zijn gaan ontlenen aan de strijd. De stof waaruit we gevormd zijn, lijkt dan het enige dat we zijn. “Stof ben je,” klinkt er dan, een observatie van een staat waarin we de spirituele adem even uit het oog zijn verloren.
De bewaking bij de poort
Er is een diepgelegen mechanisme in ons dat de weg terug naar de essentie lijkt te blokkeren. Er staan wachters bij de ingang van ons hart, vlammende zwaarden die elke poging van het ego om de ‘boom des levens’ te claimen, dwarsbomen. Je kunt de diepe rust en de heelheid van de tuin niet binnengaan met de identiteit van de zwoeger.
De vlammende zwaarden wijzen alle kanten op. Ze snijden door elke illusie heen die we hebben opgebouwd over wie we menen te zijn. Het is een genadevolle blokkade; het voorkomt dat we onze beperkte, angstige staat van zijn vereeuwigen. Pas als de identificatie met de bedekking en het zwoegen loslaat, verdwijnt de weerstand bij de poort.
De stilte na de herrie
Wanneer de zon echt onder is en de dagelijkse strijd even staakt, blijft de vraag hangen in de lucht. Niet als een beschuldiging, maar als een uitgestoken hand. De kleding van dierenvellen die wordt aangereikt, is een teken van zorg, zelfs in de staat van afscheiding. Er is voorzien in wat we nodig hebben, ook als we denken dat we er alleen voor staan.
In de schemering van je eigen kamer, ver weg van de prestaties en de maskers, is er een ruimte waar geen doorns groeien. Het is de plek waar je niet hoeft te werken voor je bestaansrecht en waar de grond onder je voeten niet langer vervloekt is door je eigen oordeel.
Herken je het moment waarop de noodzaak om je te verbergen even wegvalt?

Plaats een reactie