Je kent die grijze dinsdagmiddag waarop je je ineens afvraagt waar je het allemaal voor doet. Je hebt je targets gehaald, de keuken is opgeruimd, de rekeningen zijn betaald, maar er gaapt een gat in je borst. Je hebt het gevoel dat je in een tredmolen staat: je rent en je rent, maar het landschap om je heen blijft hetzelfde.
Het is de ontdekking dat de nieuwe telefoon, de promotie of zelfs die langverwachte vakantie niet de vervulling brachten die ze beloofden. Het was leuk voor even, en daarna was daar weer die bekende, hongerige leegte.
De cirkel die nooit stopt
Soms voelt de wereld als een eindeloze herhaling van zetten. De zon komt op en de zon gaat onder. De wind waait naar het zuiden en draait naar het noorden. De rivieren stromen naar de zee, maar de zee raakt nooit vol. We kijken ons de ogen uit, maar we zien nooit genoeg; we luisteren tot we een ons wegen, maar ons oor raakt nooit verzadigd.
We proberen de verveling te verdrijven door steeds weer iets nieuws te zoeken. Een nieuwe hobby, een nieuwe partner, een nieuw inzicht. Maar diep vanbinnen weten we dat we alleen maar de verpakking van onze onrust aan het veranderen zijn. De kern blijft onveranderd: een rusteloos zoeken naar een rust die niet van deze wereld lijkt te zijn.
Waarom voelt alles wat je doet als het najagen van wind
In Prediker 1:1-18 horen we de stem van de ‘Prediker’, de zoeker die alles heeft onderzocht wat er onder de zon te vinden is. Hij begint met de beroemde woorden: “IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.” In de metafysische betekenis van Charles Fillmore duidt dit niet op een depressieve somberheid, maar op een nuchtere vaststelling: alles wat we in de stoffelijke wereld proberen vast te houden, heeft geen blijvende substantie.
Het woord ‘ijdelheid’ betekent letterlijk ‘damp’ of ‘adem’. Probeer maar eens een handvol mist vast te pakken; hoe harder je knijpt, hoe minder je overhoudt. Dat is wat de Prediker ontdekte. Hij zocht wijsheid, hij zocht plezier, hij onderzocht de zwoegende mens, en zijn conclusie was steeds hetzelfde: het is het najagen van wind. Het menselijk intellect probeert de wereld te begrijpen en te beheersen, maar het stuit telkens op de grens van zijn eigen beperktheid.
De gevangenis van het ‘ik’ onder de zon
Wanneer we spreken over “alles onder de zon”, hebben we het over het bewustzijn dat alleen rekening houdt met de uiterlijke verschijnselen. In dat beperkte blikveld is er inderdaad “niets nieuws onder de zon”. Dezelfde fouten worden herhaald, dezelfde machtsstrijd wordt gevoerd, dezelfde angsten worden doorstaan. Zolang je je identiteit ontleent aan de vormen, aan je lichaam, je bezit, je reputatie, blijf je gevangen in de kringloop van geboorte en verval.
Het najagen van de wind is de poging van het ego om in de veranderlijke wereld een onveranderlijk geluk te vinden. We hopen dat als we de uiterlijke omstandigheden maar perfect krijgen, de innerlijke onrust zal verdwijnen. Maar de Prediker herinnert ons eraan dat een kromme lijn niet recht te maken is en dat wat ontbreekt, niet geteld kan worden. Je kunt de leegte niet vullen met de dingen die juist die leegte veroorzaken.
De last van de vele wijsheid
Er is een soort kennis die alleen maar meer pijn doet. Hoe meer je begrijpt van de systemen, hoe meer je door de illusies van de wereld heen kijkt, hoe zwaarder het kan aanvoelen. “Wie veel wijsheid heeft, heeft veel verdriet,” zegt de tekst. Dit is de fase waarin de oude antwoorden niet meer werken, maar de nieuwe werkelijkheid nog niet is doorgebroken.
Je ziet de ijdelheid van het zwoegen in, maar je weet nog niet hoe je moet rusten. Het is de eerlijkheid van de Prediker die ons dwingt om niet langer weg te kijken. Pas als je de totale zinloosheid van het najagen van de wind erkent, stop je met rennen. In dat stilstaan, in die erkenning dat de wereld onder de zon nooit ‘genoeg’ zal zijn, ontstaat er een opening naar iets dat boven de zon staat.
De stilte na de damp
Wanneer de adem wordt uitgeblazen en de damp wegtrekt, blijft er iets over dat niet verdampt. Het is de waarnemer die de ijdelheid ziet. De Prediker is niet alleen de persoon die lijdt onder de zinloosheid; hij is degene die de zinloosheid opmerkt. En in dat opmerken schuilt je bevrijding.
Je hoeft de wind niet te vangen. Je mag hem laten waaien. De rust die je zoekt, vind je niet door de wereld te fixen of de ultieme wijsheid te bezitten, maar door je terug te trekken uit de race. In de acceptatie dat niets onder de zon blijvend is, valt de druk weg om overal een blijvende betekenis aan te moeten geven.
Wat blijft er in jou over als de wind is gaan liggen en de damp is opgetrokken?

Plaats een reactie