Je kent die momenten in een gesprek, of zelfs in je eigen gebed of meditatie, dat je maar blijft praten. Je legt uit, je herhaalt, je probeert de ander, of jezelf, te overtuigen van je gelijk, je noden of je plannen. Je vult elke stilte op met een nieuwe zin, bang dat als het stil wordt, de boodschap niet overkomt of de leegte je zal opslokken.
Het is de onrustige overtuiging dat je door veel te zeggen de controle behoudt. Maar als je na afloop naar jezelf kijkt, voel je je vaak leger dan daarvoor. Je bent uitgeput door je eigen lawaai.
De angst voor de lege ruimte
We zijn gewend geraakt aan een wereld die nooit zwijgt. We hebben overal een mening over en we voelen de druk om die te uiten. We beloven van alles, aan onszelf, aan anderen, aan de toekomst, in de hoop dat onze woorden de werkelijkheid naar onze hand zullen zetten. We bouwen luchtkastelen van voornemens en we dekken onze onzekerheid af met grote verhalen.
Maar woorden kunnen ook een rookgordijn zijn. Hoe meer we praten over wat we gaan doen, hoe minder we werkelijk aanwezig zijn in wat er nú gebeurt. We raken verstrikt in onze eigen beloftes en verklaringen, terwijl de essentie van het leven zich niet laat vangen in taal. De stilte voelt bedreigend omdat we daar niet meer kunnen sturen met onze argumenten.
Waarom verdrink je in een vloed van je eigen woorden
In Prediker 5:1-19 wordt de zoeker gemaand tot een radicale soberheid in de aanwezigheid van het heilige. De tekst begint met de krachtige waarschuwing: “Bewaak je voet als je naar het huis van God gaat. Het is beter om naderbij te komen om te luisteren.” In de metafysica staat dit ‘huis’ voor de innerlijke staat van gebed en diepe contemplatie. Daar zijn woorden vaak een hindernis in plaats van een brug.
De Prediker merkt op dat God in de hemel is en jij op de aarde; laat daarom je woorden weinig zijn. Dit is geen kosmische afstand, maar een hiërarchie in bewustzijn. De bron is de stilte, de mens is het lawaai. Net zoals een droom voortkomt uit te veel bezigheid, zo komt het gepraat van een dwaas voort uit te veel woorden. Wanneer we menen de bron te kunnen manipuleren met onze ‘vele woorden’ of ondoordachte geloften, misleiden we alleen onszelf. De tekst herinnert ons eraan dat het beter is niet te beloven, dan te beloven en niet na te komen.
De rusteloosheid van het bezit
De blik verschuift vervolgens van woorden naar bezit. Wie geld liefheeft, wordt van geld nooit verzadigd. Het is een parallel met de vloed van woorden: net zoals we hopen dat meer praten meer grip geeft, hopen we dat meer bezit meer veiligheid geeft. Maar met het vermeerderen van het goed, vermeerderen ook degenen die het opeten. Je houdt alleen het kijken ernaar over, en de zorg die je ’s nachts uit je slaap houdt.
De Prediker stelt hier de ‘zoete slaap van de arbeider’ tegenover de slapeloosheid van de rijke. De arbeider, die leeft vanuit de eenvoud van het moment, rust omdat hij niet probeert de hele wereld vast te houden. De rijke daarentegen is een gevangene van zijn eigen overvloed. Het bezit dat bedoeld was om hem te dienen, is een last geworden die hem verstikt. Het is de ‘ijdelheid’ van het proberen de adem vast te houden; zodra je stopt met uitademen, begin je te stikken.
Het geschenk van blijdschap
Midden in de nuchtere vaststelling dat we naakt in de wereld komen en naakt weer vertrekken, gloort er een diep inzicht. Het gaat niet om wat je verzamelt, maar om het vermogen om te genieten van wat je op dit moment gegeven is. Dat vermogen, om te eten, te drinken en het goede te zien in je zwoegen, noemt de Prediker een “gave van God”.
Dit is het einde van het zwoegen vanuit tekort. Wanneer je inziet dat je niets kunt meenemen en niets werkelijk kunt bezitten, valt de kramp weg. Je hoeft de dagen van je leven niet meer angstig te tellen, omdat de vreugde van je hart je bezighoudt. Het is de innerlijke verschuiving waarbij je niet meer leeft voor een resultaat, maar leeft vanuit de vervulling die in de handeling zelf ligt.
De stilte die alles zegt
Uiteindelijk nodigt dit hoofdstuk ons uit om de mond te houden en het hart te openen. De rust die je zoekt, vind je niet in de perfecte formulering of in de grootste spaarrekening. Ze zit in de ruimte die ontstaat als je stopt met het overschreeuwen van de werkelijkheid.
In die stilte hoef je niets te beloven en niets te bewijzen. Je bent er simpelweg, naakt en eerlijk, onder de zon. En daar, waar de woorden opraken, begint de werkelijke ontmoeting met wat onveranderlijk is. De vrede die je daar vindt, heeft geen uitleg nodig.
Wat zou er gebeuren als je vandaag de stilte laat vallen, precies op het moment dat je weer wilt gaan uitleggen?

Plaats een reactie